Toekomstvanger

K. uit groep 6 van een basisschool in Delft overhandigt me haar werk. “Dit maakte ik voor u juf”. Ik kijk naar een rood A4, met daarop een ruime witte cirkel. Die cirkel is de losgeknipte rand van een wegwerpbordje. Daaraan een geel, een rood, en een oranje veertje. Middenin een opgeblazen blauwe ballon.

Wat ze precies maakte, vraag ik.
Een toekomstvanger, zegt ze.

Hoe dat zo kwam, dat ze die voor mij ging maken, vraag ik.
Dat haar vriendinnetje een Dromenvanger maakte voor haar mama – een moeder met nachtmerries. Dat K. toen voor zichzelf maar een Zorgenvanger had gemaakt.

Dromenvanger en Zorgenvanger moeten op de slaapkamer zijn om hun werk goed te doen. De Toekomstvanger werkt anders: dat ik zachtjes in de ballon kan fluisteren wat ik verlang en dat de Toekomstvanger me dat dan brengt.

Natuurlijk fluisterde ik zachtjes iets in de ballon.

Toekomstvanger